POËZIE

KOOR

ZING ZING

Juryverslag Herman De Coninckprijs 2017: 
“Een gulle bundel die de zintuigen overrompelt. In gulzige klanken en passionele beelden roept de dichter een vervreemdende wereld op die ondanks haar sprookjesachtige karakter nooit ver van de lezer afstaat. Verhelsts liefdesgedichten zullen veel lezers door elkaar schudden en beroeren zoals de liefde zelf. Wie deze bundel ten volle wil genieten, doet er goed aan de imperatieven uit de titel ter harte te nemen – de welluidende gedichten lenen zich er uitstekend voor.”


 

dat dit ons zingen zou worden:
we hebben getrild om aan wie of wat ook die trilling te hebben doorgegeven,

onverrichterzake,
maar wel onze lieve, kleinste, juichende onverrichterzake.

Herman De Coninckprijs 2017

 

 

 

 

 

En als er dan toch een genre het genre van de toekomst moet zijn, laat het dan poëzie zijn. Dat genre dat op zichzelf al een samizdat vormt. Dat enige genre dat zo expliciet onze taal onderzoekt, aftast, er de nieuwe mogelijkheden en onmogelijkheden van vindt. Dat genre dat betekenis genereert waar ze niet lijkt te zijn en betekenissen ontmantelt waar we dachten dat ze waren. Die schatkamer van alle nuances van onze taal – vervlakt en uitgehold als die wordt. Het middel bij uitstek om de taal van de machthebber bloot te leggen. Die nooit eindigende oefening in wat we elke dag doen en waar we almaar beter in worden: falen. Glorieus falen.
Uit: 'Het genre van de toekomst', een tekst voor Passa Porta

 

 

 

WIJ TOTALE VLAM: 

 

Juryverslag VSB Poëzieprijs: In zijn rijke, spirituele bundel verkent Peter Verhelst liefde, maar ook afscheid en vernietiging. Op deze reis met de geliefde laat hij ‘alle hoeken van elke betekenis’ dansen - net als de vuurvliegjes op de cover. Het ontbreekt hem aan woorden en hij strooit de ‘...’ als gedachtenconfetti in het rond. Toch doet de dichter een grootse en lyrische poging het nu en de eeuwigheid te begrijpen, te benaderen en te beschrijven. Intussen vlamt door de bundel het herhaalde verlangen naar schoonheid van het moment, tegen het vergeten van de tedere dingen. Peter Verhelst bewijst met Wij totale vlam opnieuw zijn zeldzame talent om het Nederlands te laten zingen.

 

 

Juryverslag Herman de Coninck-prijs: Met duidelijke woorden en beelden trekt Verhelst ons een grote, soms ongrijpbare ruimte in. Nog voor je er werkelijk een vinger op kan leggen besef je dat hier de spijker op zijn kop wordt geslagen. Grote begrippen als vergankelijkheid, ruimte, tijd, geluk en liefde, begrippen waar menig dichter al dan niet behendig omheen zeilt, worden hier zo eerlijk, precies en kwetsbaar dicht benaderd, dat je als lezer het idee krijgt dat je ze daadwerkelijk kan raken. 

 

 

 

In het juryrapport van de Ida Gerhardt Poëzieprijs schrijven Van Hengel en Spits: 'Goeie poëzie heeft een effect dat misschien wel doorslaggevend is: ze veroorzaakt een haast fysieke reactie. Een echt goed gedicht is als een zachte hand op je borst. Een echt eigen stem nestelt zich meteen in je oren. Deze zintuigelijke reacties veroorzaakt de bundel van Peter Verhelst allemaal. Wij totale vlam is een bundel over nabijheid en intimiteit en tegelijkertijd over eenzaamheid en verlorenheid.' En: 'Verhelst vindt zinnen die je vaak de adem doen inhouden, die pasgeboren lijken, iedere keer als je ze opnieuw leest.’

 

2014   WIJ TOTALE VLAM (uitg. Prometheus)

 

 

Herman De Coninckprijs 2015
Ida Gerhardt Poëzieprijs 2016

 

De coverfoto komt van Katrien Vermeire uit haar Godspeed-cyclus 

 

 

 

Recensie op Cobra en Cutting Edge

 

 

VLAKTE VAN NIETS

Zo hard dat het waait –we hoeven niet te praten als jij niet wilt.

Je vouwt de wind tussen je vingers tot een eeuwig wegzwevend vliegtuigje
dat ons een andere ruimte en tijd in laat kijken

tot waar jij op een rotsblok zit met een blik
alsof je je een plek herinnert waar je eindelijk zou kunnen blijven.
We zien

hoe je niet langer beweegt. Er is werkelijk niets in die vlakte.
Als een woestijnvos, zo laag
over laag groeit stilte-als je iets aanraakt, stuift het op.

De wind blaast je haren als een fakkel achter je hoofd.

Het is moeilijk dichterbij te komen.

Je kantelt je bekken, kromt je over je eigen hand.
Je wrijft je duim over je wijsvinger om te zien wat het is,
dat glanzende. Om mij te laten zien wat het is. Als een speekseldraadje.

We hebben het gevoel zo dicht te zijn genaderd
dat het ons had kunnen aanraken.

 

 

 

 

Weet je nog?

Weet je nog toen we op de toppen van onze tenen op de rand 

Van een berg leek het wel, die keer dat we jubelend, een seconde,

Niet langer, enkele millimeters over de rand leken we, nooit eerder 

Dan tijdens die onsterfelijke, die ene ongelofelijke trilling

Die er achteraf gezien misschien niet eens, die ene vlam

Die uit ons opschoot, zeiden we, of die we hadden kunnen zijn, dachten we,

Buiten adem, die seconde die eeuwig leek, dat dansen, dat juichen,

En we de seconde erna al, hoe is het mogelijk dachten we, en dat we ons nooit 

Eerder zo overvol, hoe we wisten dat we vanaf nu elke seconde verder, weet je nog

Hoe we, zeiden we soms, dat we wisten dat we nooit meer, dat we er altijd

Aan zouden denken hoe de lont vanaf nu verder, almaar verder, onherroepelijk 

Elke millimeter een millimeter dichter bij die andere, die totale vlam

Die ons vanaf nu in een totaal andere vorm begon te likken. 

 

 

 

 

Voor het vergeten

Zolang we niet vergeten, gaat niets verloren.

 

Laten we dus vergeten, maar alleen

zoals we door te praten iets uiterst traag kunnen laten verdwijnen – daar,

zie je het, zie je het nog nauwelijks, tegen de zon in?

 

Zolang we niet vergeten dat iets van ons niets verloren mag gaan, eindelijk – 

 

zoals er een zwijgen bestaat dat tegelijk een vorm is van zingen

dat een vorm is van dragen, een lichaam zo te dragen 

dat het door ons heen, alsof het uiterst traag voorover valt, iets als glas

onder vel, broos glas, misschien is dat het lichaam 

dat als een wijnglas zingend 

zwijgend gedragen wil worden, dat wij het zo in de lucht heffen 

dat het almaar lichter wordt – daar, zie je het, zie je het nog, nauwelijks, 

tegen de zon in?  

– brengen de kleuren waarin het breekt ons misschien naar huis terug.

 

 

 

 

 

 

 

 

2012   ZOO VAN HET DENKEN (uitg. Prometheus)

 

 

 

 

De cyclus HERALDIEK is gebaseerd op het werk van Rogier Van der Weyden. Details uit schilderijen werden met uitgestorven dieren verbonden.

 

Een zwarte jurk wordt bijvoorbeeld verbonden met de teerputten rond Los Angeles, waar men skeletten van sabeltandtijgers terugvond.

 

 

 
Portret van een vrouw, RVDW                            


Fossiele sabeltandtijgers in Rancho La Brea

 

 

De rode arm van Maria Magdalena (rechts op het schilderij), de gesloten ogen van Christus en zijn borstwonde krijgen een echo in uitgestorven dieren als respectievelijk ivoorbekspechten, Javaanse tijgers en cochinelluizen.


Kruisafneming, RVDW


Javaanse tijger

 

 

De cyclus DE GESCHENKEN VAN HET DONKER werd geschreven bij de voorstelling 'Les Corbeaux' van Josef Nadj die in een ton met verf kruipt en daarna, druppelend en druipend, danst.

 

 

 

 

De titelcyclus ZOO VAN HET DENKEN beschrijft in dagboekvorm de poging van Robert Falcon Scott om als eerste het hart van Antarctica te bereiken.
De cyclus is een voorstudie van het stuk Terra Nova dat Verhelst voor Crew schreef.

 

 

De coverfoto is gemaakt door Johan Jacobs. Een paard en Wim Vandekeybus op 1 foto, dat kan alleen maar een krachtig beeld opleveren. De foto verwijst naar de cyclus 'De Paarden' uit de bundel Nieuwe Sterrenbeelden, geschreven voor Vandekeybus.

 

 

Een interessante studie van Matthieu Sergier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2008   NIEUWE STERRENBEELDEN (uitg. Prometheus)

 

 

De bundel werd bekroond met de Jan Campert-prijs en de Herman de Coninck-prijs.
Het gedicht 'Vaas' werd bekroond met de Gedichtendagprijs.

 

 

Vaas

Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?
Misschien is het zo bedoeld
dat de vaas de hand op zich af zingt,
zodat de hand niet kan weerstaan,
hoewel de hand weet dat hij slaat
en in de vaas al scherven zingen
voor ze zijn ontstaan.

Waarom zou de hand verlangen naar een vaas
die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand
die haar wil slaan? En waarom wil de vaas
haar scherven naar de oppervlakte zingen
zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?

Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.

 

 

 

 

juryverslag Herman de Coninck-prijs: "Verhelst experimenteert in deze bundel niet met vorm. Hij gebruikt geen ingewikkelde taal of opzichtige metaforen. Maar zijn taal en beelden werken, overrompelen de lezer en slagen er in de complexiteit te verwoorden van wat aan de oppervlakte eenvoudig en eenduidig lijkt. […] Kortom, een dichter die zich naakt en kwetsbaar opstelt en daar zijn kracht uitpuurt."

 

 

juryverslag Jan Campert-prijs: "Peter Verhelst werd door de Jan Campert-Stichting acht jaar eerder al bekroond met de F. Bordewijk-prijs voor zijn ‘verhalenbordeel’ Tongkat. In 2008 viel hem voor zijn omvangrijke poëtische krachttoer Nieuwe sterrenbeelden de Jan Campert-prijs toe. In deze bundel brengt Verhelst met vaardige compositorische hand heldere patronen aan in een overweldigende, lichte baaierd van betekenissen. Zo verleent hij zijn intieme liefdespoëzie de kosmische allure die elke minnaar zolang de liefde duurt voor waar houdt."

 

 

In de bundel is een cyclus geïnspireerd op het werk van fotograaf Maarten Vanden Abeele, die fantastische fotoboeken maakte over Needcompany en over Pina Bausch.

 

    

Pina, MVDA                                                   Tokyo, 1999 (collectie M HKA)

 

 

In het fotobook Onder de Toren bundelt Vanden Abeele een aantal foto's die hij maakte in opdracht van Cultuurcentrum Mechelen. Zich baserend op deze foto's schrijft Verhelst een cyclus over licht: KIJKEN IN DE FLITS.

 

Gij zult en zult Met volle mond Met volle kracht 
Met heel uw lijf Met alles wat gij in u hebt Op 
leven en op dood Als voor de laatste keer Met volle 
teugen Wijdbeens Kijk niet achterom In stijl Uit 
liefde Juichend Koortsig Gelukzalig Zwijmelend 
Met volle moed Met open mond Van links naar 
rechts Van voor naar achter Op je knieën Op je 
mond Als nieuw Genietend Als het ons maar de 
door de nacht sleept Ons verlost De uitputting 
voorbij De hoop voorbij Verdriet voorbij Immer 
vooruit Als voor de eerste keer Al weten wij Al 
kennen wij Al hopen wij vergeefs want zijn we niet 
vergeefs – dat vieren wij, dat willen wij, dat jaagt 
ons op en maakt ons mooier, trekt ons uit onszelf, 
buiten onszelf, dat laat ons branden, want zo zijn 
we, vuurwerk opspuitend in de lucht

Alleen als we vallen
Hebben we het hart van de zon bereikt.

 

 

Een andere cyclus, met de naam '...', werd geïnspireerd door het werk van Robert Devriendt die zijn kleine schilderijen in reeksen groepeert, waardoor je flitsen lijkt te zien uit een raadselachtige film.

 

 

 

 

TOEN WE UIT HET RAAM VAN DE HOTELKAMER . . .

. . . handpalmen tegen het glas. Diep in de nacht kijken we 
naar de gletsjer, twee rookslierten die eeuwen nodig hadden 
om te verstrengelen tegen de bergwand. Wat we zien, 
wat we willen zien, is de traagste vorm van lava 
die we willen zijn. Mijn wang enkele millimeters 
van jouw wang en jij beweegt je hoofd als wentel je het 
naar de eerste zon. Twee keien van zacht vlees, zich oneindig 
traag tegen elkaar wrijvend in de hoop ooit die ene vonk, 
ooit dat minuscule kloppen, dat open‑ en dichtgaan van 
een vliesdun hart dat uit het ijs tevoorschijn wordt geademd. Dat 
dit ons hart kan zijn, dit ademen, dit pompen van de een naar de ander, 
dit eeuwenlange wachten, wie als eerste zou bewegen, wie 
glimlachte, het drinken van de adem, dit vollopen met adem 
en dit leeglopen van kamers, van je aders, het smelten 
van de kleine gletsjer die we zijn, dit trillen waar we van dromen, 
van iets eenvoudigs, adem knisperend boven ijs. Gezangen. Pure 
bronnen. Geisers. Nieuwe regenbogen. De prachtige lawine 
die zoiets veroorzaakt.

 

 

De cyclus 'TUSSEN MUREN DIE ER NIET ZIJN ONDER EEN DAK DAT ER ONMOGELIJK KAN ZIJN OP EEN VLOER VAN NIETS' is geschreven na een bezoek aan de Kapel van het Niets,
een kunstwerk/gebouw van Thierry De Cordier in Duffel.

 

 

 

 

Die tekst werd later, herwerkt, gebruikt door Wim Vandekeybus in zijn voorstelling 'NieuwZwart'. 
De ene keer werd de tekst door een man, de andere keer door een vrouw uitgesproken.
Mauro zorgde voor de muziek.
 

 

 


foto © Danny WIllems

 

 

 

 

 

 

 

 

2003    ALASKA (uitg. Prometheus)

 

 

Het gedicht 'Heb door moerassen gewaad' werd bekroond met de Gedichtendagprijs.

 

 

Heb door moerassen gewaad                                                  auditief 
al dan niet menselijk
heb door bossen gewaad
door velden vol spinrag
heb dagenlang in de vlakte gestaan
met uitgestrekte armen
ingestreken met lijm of speeksel
en werd bezocht door alles wat vleugels had
heb gegrepen wat ik kon en begrepen wat ik niet kon
vergeten
ben nooit eenzaam geweest
heb het nochtans geprobeerd
het was sterker dan mezelf
heb het mezelf nooit leren vergeven
ben door de ene mond naar binnen gekomen
en door de andere mond naar buiten geworpen
en ondertussen werd ik bekleed
met alles wat ik niet kon
vergeten
heb eindelijk beseft dat er niets te beseffen valt
behalve de drang om op en neer te springen
onophoudelijk en koppig op en neer te springen
voorbij de rede en voorbij vermoeidheid en voorbij de hoop
en dan in die beweging mijn beide handen naar u op te houden
en het besef dat nooit iets u ertoe kon brengen
om ooit
al was het maar één keer
één vinger naar mij uit te steken.

 

 

De cover van de bundel is bewerkt met warmtegevoelige verf die vervaagt na aanraking met lichaamswarmte, de enige manier waarop het onderliggende gedicht zichtbaar wordt:

 

 

   

   

 

 

Het principe van de cover verwijst naar "Noli me tangere''.

 

 

  
Noli me tangere, Titiaan (the National Gallery, London)


Noli me tangere, kopie naar Rubens (Groeningemuseum, Brugge)

 

 

Alaska vormt een tweeluik met de novelle Memoires van een luipaard.
Beide boeken werden geschreven 'naar levend model'. Vandaar het beeldcitaat in het begin van de bundel. 
 


Etants donnés van Marcel Duchamp (Philadelphia Museum of Art)

 

 


arm van het beeld (als een ex voto/sexual toy)

 

 

De titel, Alaska, verwees naar een flard uit 'Caroline Says (II)' uit Berlin van Lou Reed.
 

'But she's not afraid to die
all her friends call her "Alaska"
When she takes speed, they laugh and ask her

What is in her mind
what is in her mind'

 

 

Tevens neemt de bundel met deze titel de draad weer op met een fragment uit Verhemelte:

 

 

Ik wil Alaska zijn.
Ik had de man willen zijn 
die de wereld verkocht,
maar geen koper daagde op.
Niets van belang werd voortgebracht, vandaar.
Ik trok mij op mijn berg terug,
neuriënd, zinaaaaay, zinaaaaay, ik wil leegte zijn,
zinaaaaay, zinaaaaay en God leek te ontstaan
in de vlokkige gedaante van een lawine. Zinaaaaay
schonk ik luidkeels aan de wereld
en de wereld begon te schuiven
onder me vandaan.

Ik besliste alleen nog
naar de binnenkant van mijn oogleden te kijken.

Om het uur drukte ik op mijn oogballen
en ze brachten ontploffinkjes voort,
zo veelkleurig dat ze bedacht leken
onder invloed
van een hersentumor.

Na dagen, uren, jaren
opende ik de ogen.

Ik had mezelf
volledig overwoekerd.

Een blik in de diepte volstond
om te bewijzen dat ik me losgerukt had
en mijn eigen zwaartekracht was geworden.
Zoals diezelfde blik in de diepte eveneens volstond
om me te slaan
te meppen
te ranselen
met blindheid.

 

 

David Bowie 
David Bowie en Klaus Nomi 
Nirvana 

 

 

Het Alaska-element werd verbonden met een imaginair sneeuwluipaard: de alaska.

 

 

If travel is searching
And home what’s been found
I’m not stopping
I’m going hunting
I’m a hunter
I’ll bring back the goods
But I don’t know when

BJÖRK
(Hunter)

Ooit moet een alaska ons zijn
ontsnapt
een vuurbol die zich een weg vrat door de savanne
van de ene op de andere zij wentelend door een koortsslaap
onbewogen zandkleurig onder de hijgende zon
opgegaan in een gevlekt bladerdek
kijkt het ons nu aan met naalddunne pupillen
knipogend terwijl we ons enkele meters lager
buigen over het raadsel
van in lucht oplossende sporen
tot we die blik plots in de nek voelen opgloeien
vertraagd horen we een kogel in de lader schuiven
terwijl het zich opspant en we ons op de rug laten vallen
in die ene luchtledige seconde voor de ontbranding
flitst het door het hoofd
hoe we in de vlakte liggen
door een sneeuwstorm verblind
alsof ze met duizenden tegelijk op ons af tollen
bevroren in hun sprong
pluizen waar we vergeefs naar grijpen
tussen de vingers door kringelend als vlinders
die jaren later een nieuw alaska in ons
hopen te ontketenen.

 

 

In de bundel staat een gedicht dat Verhelst schreef voor De Wijnjaren, een boek over/van Thierry De Cordier.

 

 

 

 

 

Nihil...(Alaska revisited) – ik-vertering

​op een dag, toen ik mezelf even uit het oog had verloren, kwam ik
voor de eigen voeten aangerold, een bol roet, tot ontkieming geslagen
broedsel* waaruit haarscheuten als armpjes oprukten, alle richtingen uit – 
tot de enkels de grond in getrokken en tegelijk de lucht in, aan vingernagels
en haren, aan oksels en nek, een gistende, uitlopende bloembol – 
alsof ik ooit vruchtbeginsel in gedachten had gehad – jarenlang
had ik in de tuin walnoten gekraakt onder de hiel en gekeken, 
het witte denkende vlees
van bloemkool proberen te vatten of knijpend in een peer
die mij smeltend en zuchtend bezocht, gelijkenissen proberen te vinden,
de knisperende ophoping beluisterd van zetmeel in een aardappel – dat volstond,
omdat het vergaat, stelde ik mezelf gerust, waarna ik toekeek
hoe moeras rond de voeten opborrelde als rond de voeten van wie eraan wil
denken; de wil (= een zwarte plas, omgewoeld tot modder waarin wij ons 
wentelen als planeten, waarna de zon het werk doet, de korstige jas
waarin we ons rollen,
waarmee we op stap gaan: een harige bol die zichzelf de heuvel op rolt
om de heuvel aan de andere kant af te rollen en omgekeerd en ondertussen
in gezangen** open te barsten, maar vergeefs, alsof we onszelf definiëren,
onze eigen naam neuriën terwijl we over de emmer hangen als een hemd
over een spiegel) ik herhaal: de wil (n)iemand te ontmoeten is de wil
(niet) gedragen te worden, even onherroepelijk lachwekkend als de alpenhoorn
die uitbundig door de sneeuwstorm wordt bespeeld, tegen dezelfde storm in
staat te loeien, met andere woorden: mezelf de voeten afgeknipt, de handen
afgeknaagd, de tong afgebeten, maar alles groeide opnieuw aan alsof 
het sterker was;
daarom heb ik beslist vanaf nu (niet langer) te beslissen
(niet langer) het denken (niet) toe te laten als vegetatieve levensvorm, de boom in
elk geval te zien als een kleerhanger of als schouders of als een plank
die mijn hoofd keer op keer ontvangt als een specht – zoals de vogel
die naar de wolk opklimt een wonde in de wolk pikt en valt – voorover te buigen,
het hoofd tussen de knieën, achterover te vallen, neer te komen en te rollen:
door slijk, over keien, onder de uitzinnige zon, door sneeuw, regen, heuvel op,
heuvel af, berg op, berg af, om (n)ergens terecht te komen, eindelijk (n)ergens te 
(moeten) aarden,
maar niet getreurd: ik lag altijd buiten mezelf, buiten adem 
onder een jagende hemel
terwijl een vogel inderdaad opklom en in de wolken pikte: het welde 
boven me op
als uit een paarse vrucht of uit een vrouw, het sijpelde neer,
kwam over me heen,
gutste van me af, doordrenkte me: elke dag en nacht drijf ik erin rond, 
tot bol gekneed
wit vlees dat zichzelf veelarmig en uit alle macht leeg probeert 
te knijpen
– omwolkt door blauwe, dradige letters, woorden, zin(loze)nen, tot 
rafels verscheurde
boeken – in een poging zichzelf te verspillen, elke dag en 
nacht opnieuw, terwijl ik
weet dat het 's ochtends als zweet op mijn gezicht ligt, me overeind jaagt,
de plank als een kleerhanger in mijn jas, de rechtervoet achter 
de linkervoet,
herhaal: voorover te buigen, hoofd tussen de knieën, achterover te 
vallen, neer te komen en te rollen, onophoudelijk, heuvel op, heuvel af,
juichend, zingend**bis,
terwijl ik de vogel hoor klimmen, en ik niet ophoud met
rollen, achterwaarts,
van mijn eigen voeten weg, tot ik de vogel niet langer
hoor en het sijpelen aanvangt
en de regen de sporen dicht begint te wrijven, in de tijd terug, tegen de
keer in,
de ogen dicht, de neus dicht, de oren dicht, de navel dicht, de aars dicht,
en ten slotte
de mond dicht nadat ik mezelf erin heb teruggemept, -geschopt,
-geranseld,
als in de zwijgende, bodemloze mond van een eindelijk zichzelf
opslokkende
en eindelijk zichzelf verterend(e) vrouw / moeras /
afgrond / kut / heelal.

*
gezwel

** **bis
nihil memini (ik herinner me niets)
non mundum (niet de wereld)
nihil ad me refert mundus (de wereld zegt me niets) 
assidue mihi effluunt voces (uit me stromen woorden) 
noli reminisci eas (vergeet ze)    
nemo mei meminerit (ik wil door niemand herinnerd worden) 


Thierry De Cordier
2 Fontaines: a: Trunkenbild b: Ik-vertering (P.V.)
a: 1985 - 88 b: 1988 - 02
(collectie De Pont)

 

 

Een interessante tekst over tekstrecyclage in het werk van Verhelst (Kim Gorus)

 

 

 

 

 

 

 

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

In 1997 verscheen als bijdrage in het tijdschrift De Revisor: 

‘Ja (proza) / Nee (over poëzie)’

(peter verhelst poète-s. (*1987- †1997))’       

Poète-s (= Poète-suicideur) als een knipoog naar Thierry de Cordier. 

 

Verhelst bevond zich op een eindpunt, had zich klemgereden met zijn poëzie en met de poëziewereld.
Er zou 6 jaar stilte volgen. Verhelst schreef voor theater: Maria Salomé (Kaaitheater, 1997), Romeo en Julia - studie van een verdrinkend lichaam (Ivo Van Hove/Zuidelijk Toneel, 1998), Red Rubber Balls - studie van een hangend lichaam (Thierry Smits/Kaaitheater, 1999). Hij werkte aan de roman Tongkat die in 1999 verscheen, stopte met lesgeven aan het Instituut voor Voeding in Brugge en werkte met Luk Perceval aan AARS! - anatomische studie van de Oresteia en aan Zwellend Fruit.
 

 

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

 

 

 

1997   VERRUKKINGEN (De Landgraaf)

 

 

In deze bundel verwerkte Verhelst New York-gedichten die al in 1989 waren geschreven en alleen in manuscriptvorm bestaan (de gedichten zijn gelinkt aan een aantal plekken in New York). In het boekje is een New Yorkfoto van Dirk Braeckman opgenomen.

 

In 1990 verscheen een versie in 'Pleidooi voor ontroering', een door Jan Denolf samengesteld boek van teksten van jonge auteurs, uitgegeven door Kritak.

 

In 1996 verscheen de uiteindelijke versie van de gedichten in VERHEMELTE (uitg. Prometheus) en een jaar later, in 1997 verscheen een afwijkende, eerdere, ruwere versie in VERRUKKINGEN.

 

In 2000 las Verhelst fragmenten voor in de voorstelling S*CKMYP met klank van Eric Sleichim (Blindman) en visuals van Peter Missotten (Filmfabriek) voor Kaaitheater (Brussel). Andere fragmenten, die verder gingen op teksten uit de in 1996 verschenen bundel Verhemelte zouden later hun plek vinden in Alaska.
 

 

In 2003 kwam de film S*CKMYP uit waarin Verhelst de teksten leest en Kurt D'Haeseleer beelden morpht, ondersteund door muziek van Köhn. 

 

 

    

    

 

 

 

 

 

 

 

1996   VERHEMELTE (uitg. Prometheus)

 

Na 'De Boom N', een oefening in verdwijnen die volgens Verhelst helemaal niet geslaagd was, probeerde hij zijn poëzie tot een extremer punt te brengen en zoveel betekenissen te genereren dat er nauwelijks nog betekenis overbleef. Een 'zevende bundel' die het pentagram (cfr. hieronder bij OTTO ivm het pentagram) tot ontploffing zou brengen. Daarom introduceerde hij zo expliciet de Icarusfiguur in de bundel, niet als symbool van 'jeugdige overmoed', maar als figuur die uit 'suïcidale vreugde' de zon opzoekt. Hij koppelt de Icarusfiguur aan Rob Scholte, de Nederlandse kunstenaar die zijn benen verloor door een aanslag die misschien niet eens voor hem was bedoeld.
 

Werd bekroond met de Dirk Martensprijs van de stad Aalst

 

 

Stefan Hertmans publiceerde in De Gids een overzicht van het poëtisch werk van Verhelst: 'Schaamteloos frummelen aan het Sublieme'.
 

 

Ron Elshout publiceerde een overzicht van de poëzie van Verhelst in een nummer van Bzzlletin, helemaal gewijd aan het literaire werk van Verhelst.
 

 

 

 

In 2003 publiceerde Thomas Vaessens een studie over de bundel Verhemelte.

 

 

In de Kaaitheaterstudio's baseert Eric Sleichim zich op het gedicht Ik wil alaska zijn voor een solo-performance met een saxofoon en een opblaasbare zetel.
Er is een film waarbij de camera de op de muur geverfde woorden van het gedicht volgt.
Ook Meg Stuart neemt deel aan de performance.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1994   DE BOOM N (uitg. Prometheus)

 

 

62 gedichten voor elke dag van de maand juli en augustus. Zomergedichten (juli-augustus). Of: gedichten van op een berg. Met deze bundel wilde Verhelst het pentagram afwerken, zichzelf in een  'hortus conclusus' opsluiten. De boom in. Oefeningen in verdwijnen. Decapitatie (in het pentagram).

 

ik herinner me niets en zelfs dat niet zelfs niet de
wereld en zoals ik de wereld niets meer te zeggen
heb heeft de wereld mij op zijn beurt niets meer te
zeggen en toch blijven woorden uit mij stromen
even nutteloos en even belachelijk vergeet die
woorden nu onmiddellijk ik wil door niemand
herinnerd worden zelfs niet door mezelf want

 

Plaats in het pentagram: DECAPITATIE.

 

 


Passe-Montagne van Thierry De Cordier.
Een berg op voetjes. 

 

 

In datzelfde jaar presenteerde Verhelst samen met Jan Denolf een dossier over het werk van Thierry De Cordier in het literaire tijdschrift DWB.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1993 HART IN HET GRAS GLANZEND VAN VERLANGEN NAAR EEN HART IN HET GRAS GLANZEND VAN VERLANGEN NAAR EEN (in Plejade, Uitg. door PLEK vzw)

 

 

Een lang, gefragmenteerd gedicht, als deel van de uitgave Plejade, een boek met bijdragen van 7 dichters, o.a. Christine D'haen, Erik Spinoy, Stefan Hertmans.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1992   MASTER (uitg. Prometheus)

 

 

 

De gedichten uit MASTER zijn beïnvloed door SURFER ROSA van THE PIXIES en het werk van John ZORN, de polaroids van Andy Warhol en het alfabetisch rangschikken van woorden (de schijnorde).

De bundel bestaat uit zelfportretten, travestieën, geslachtsveranderingen, maskerades, waardoor het 'zelf' helemaal verdwijnt.
Plaats in het pentagram: CASTRATIE.

 

Fassbinder Rex

Matroos in Brest onder de rosse gloed van de maan.
De accordeon kriept in mijn borst. Wie die vuist in mijn rug
priemt tijdens tango's en me plots daar grijpt is het beest
dat me vooroverdrukt op tafel en als speeksel openwolkt,
in mijn hoofd de kermende touwen losknipt zodat ik
een schip op drift ben - speeltje met zijn onweegbuik over me heen -
tot ik begeef onder Herr Kuiper
en er mesjes uit zijn vingers klappen
graaiend naar mijn hart. Die snijbloem.

(Andy is dood, Nico is dood, Nomi is dood,
Rainer die vergaat is de Dom die brandt
en boven zitten twee aapjes in een kooi
ook al in elkaars vlees vast.)

 

 

Intensive care

Als liepen er bloemen uit mijn aders.
een boeket laaiende amarylissen. Aan slangetjes -
een angstpil onder mijn tong - droomde ik van rode
pijn: hoe die op mij bloeide als een mooie wonde;
vrouw met maanwit vlees in zwarte lingerie
en lakleer, knielt voor mij en bijt) een afrosidiacum.

Mijn zuurstofmasker en haar ouwevleeskleur.
Pompgeluiden. In mijn achterhoofd roert muziek
het potje slaap open. Zuiggeluidjes;
bloed smaakt zoet en lacht zoals beloofd,
de loop der dingen loopt.

Geef mij Thaise massage, Griekse beurt en blow job.
(Wat er van mij blijft? een boekje zwart
en liefde liefde liefde
uit de ghettoblaster van mijn hart.)

Geef mij de definitie van de dood.

 

 

 

 

 

 

 

 

1991   WITTE BLOEMEN (uitg. Manteau)

 

In WITTE BLOEMEN wordt een bundel lang de strijd aangegaan met Charles Baudelaire. Charles komt uiteindelijk op de elektrische stoel terecht. Het triviale uit het leven van Baudelaire komt aan bod: zijn turbulente liefdesleven. Alsof zijn vrouwen scherven zijn van zijn spiegelbeeld.
Vandaar dat de plek van Witte Bloemen in het pentagram DISSECTIE (fragmentatie, diabolisme) is.
 


Pope Innocentius door Velasquez
Screaming Pope door Bacon
 


Baudelaire, geportretteerd door Nadar


Still uit Pantserkruiser Potemkin van Eisenstein

 

 

 

 

 

 

 

 

1990   ANGEL (Yang)

In 1989 schrijft Verhelst aan WITTE BLOEMEN en, na een reis naar New York aan twee New York-bundels. Omdat zijn uitgeverij (Manteau, Antwerpen) zijn tempo niet kan volgen, verschijnt ANGEL in een semi-bibliofiele uitgave bij Yang.
ANGEL is een lang gedicht, als een droomtocht door een stad. Een filmscript in poëzie. Tegelijk een bundel over katholieke rituelen (die omgekeerd worden). Plaats van ANGEL in het pentagram: katholicisme. 

(foto cover: Danny Willems)

 

 

 

 

1989   OTTO (uitg. Manteau)

 

OTTO - de juwelen het geweld, het geweld de juwelen verscheen in 1989. Geïnspireerd door het palindroomprincipe en de bijbehorende spiegelingen worden de gedichten gecentreerd afgedrukt. OTTO is geïnspireerd door etsen van Goya: La Tauromaquia en de stieren van Bordeaux.

De schrijver staat voor zijn tekst zoals de stierenvechter staat voor de stier: op het terrein van de onherroepelijke waarheid. (Michel Leiris / Arena)

In de bundel introduceert Verhelst de Griekse mythologie en het labyrint in zijn poëzie. Na het bezoek aan een freakshow schrijft hij gedichten over extreme performances zoals zwaardslikken, slangendansen. Er zijn gedichten, gebaseerd op schilderijen van Kirchner, Otto Dix, Oscar Kokoschka...

 

OTTO wordt bekroond met de Nieuwe Yangprijs.

 

 
De zeer getalenteerde student van Falces, gewikkeld
in zijn cape, misleidt de stier met de bewegingen van
zijn lichaam (F. Goya/Prado)

 

Tijdens het schrijven van OTTO maakt Verhelst voor het eerst gebruik van het pentagram, waarin zijn werk een plaats moet krijgen. Er zullen vele versies van het pentagram volgen.
De vijf punten van de ster verwijzen naar REFLECTIE, TAUROMACHIE, CASTRATIE, DISSECTIE (diabolisme), KATHOLICISME en DECAPITATIE. Hij beslist 6 bundels te schrijven om het pentagram te voltooien. Een pentagram is een gesloten constructie die zoals elke constructie volstrekt labiel is (tegelijk betekenisvol en zinloos).
OBSIDIAAN: reflectie. OTTO: tauromachie.

 

 

 

 

 

 

 

 

1987   OBSIDIAAN (uitg. Manteau)

 

In 1987 verscheen de debuutbundel OBSIDIAAN, cycli die gerangschikt werden rond vier schilderijen van Francis Bacon.  Nog voor publicatie werd het boek onderscheiden met de Jan Vercammenprijs. In de bundel wordt een poging ondernomen om een taal te ontwikkelen die zowel in een poëtische (Van Ostaijen --> Beckett --> Pernath), als in een artistieke (Bacon, Warhol) traditie past. Obsidiaan is zwart, gestold, vulkanisch glas. De reflectie in de zwarte spiegel.

OBSIDIAAN krijgt de Literatuurprijs van de provincie West-Vlaanderen en de Paul Snoekprijs.

 

  
Two Figures (F. Bacon)